Gluren bij de buren

Inleiding

Via een innovatief cultureel project gingen drie organisaties bij elkaar over het muurtje kijken. Op zoek naar gedeelde uitdagingen en mogelijke oplossingen. Het traject bestond uit het bezoeken van elkaars organisaties, uitwisselingsmomenten en werkmomenten. Telkens met een delegatie van beroepskrachten en vrijwilligers. Rik Pinxten, cultureel antropoloog,  volgde en beschreef als extern oog het proces. Hij pende zijn observaties neer in een beschrijvende tekst.

Tijdens de tweedaagse werkmomenten – elke organisatie was gastheer voor één zo’n tweedaagse – werd er samen gewerkt en samen gedacht. Het doen resulteerde in een zichtbaar resultaat en het denken resulteerde in acht tegelspreuken.

Om tot deze tegelspreuken te komen werden drie invalshoeken voor de gesprekken gehanteerd: de plek, de mensen en de methodes. Uit de rapportage van de werksessies werden vervolgens via consensus acht uitspraken geselecteerd die de essentie van de drie organisaties capteren.

Tijdens een laatste collectieve sessie bakten we de geselecteerde uitspraken op 96 keramische tegels. Deze tegels werden per post verzonden naar organisaties uit het artistieke, sociale en culturele veld. Organisaties die onze waarden delen. Hen werd gevraagd om de tegel een zichtbare plaats te geven in hun plek.

Samenwerking tussen De Koer, Huysmanhoeve en Bolwerk.
Een voorstel door een buitenstaander. – Rik Pinxten

Dat is de nieuwe context. In die nieuwe omgeving zien we een tegenreactie ontstaan, waarbij, mede door de nieuwe technologieën, individuen en groepen zich los van de verticale (steeds meer hegemonische) economische structuren horizontaal en verspreid gaan organiseren. Dat wil zeggen lokaal, in nieuwe afspraken (eventueel ruilsystemen, met of zonder andere eigen munten, enz.) en met duidelijke controle over productie en verdeling in functie van eigen behoeften, ontstaan nieuwe coöperatieven, bloeien tontinesystemen op, enz. Vandaag wordt ook stilaan een kleine bibliotheek rond deze verschijnselen zichtbaar.

Op Vlaams niveau rijpt al een tijdje de gedachte dat commons, nieuwe coöperatieven en andere, niet-marktconforme initiatieven, belangrijk kunnen zijn of worden om een zinvol bestaan voor iedereen te proberen garanderen.  Concreet werd een subsidie verworven door de drie commons, samen ‘Gluren bij de buren’. Binnen dat dossier wordt onderzocht hoe deze verschillende plekken (oude boerderij, oude fabriek en oud volkshuis) verschillende creatieve initiatieven uitlokken of toelaten. In tweede instantie, en gedurende het proces van samen verkennen bij elkaar (‘gluren’ in de praktijk zo men wil), wordt duidelijk hoe de mensen op deze verschillende plekken  misschien ook tussen de plekken zouden kunnen samenwerken. Elke common groeit en bloeit uiteraard van onderuit en daarom is de focus op de plek en de werkvormen van elk afzonderlijk  zo belangrijk. Door het samen gaan werken van mensen uit de drie commons bij elkaar kwamen de punten van overeenkomst en verschil duidelijk naar voren. Gedurende dat proces (van 3 maal 2 dagen allen samen op telkens een andere locatie) werd langzaam, in de gespreksnamiddagen, met de hele groep tot ‘tegels’ gekomen, dat wil zeggen korte uitspraken die als het ware op een tegel zouden passen.

1. De Koer, Huysmanhoeve en Bolwerk

Daarmee zijn we aanbeland bij het eigenlijke onderwerp van dit stukje: de verzuchtingen en plannen van drie lokale coöperatieve initiatieven.  Vanuit hun eigen groeiproces en met de kenmerken die elk lokaal en inhoudelijk karakteriseren, zijn de volgende drie verenigingen actief:

– Plattelandscentrum Meetjesland, beheerder van het Provinciaal Streekcentrum Huysmanhoeve in Eeklo

– Bolwerk in Kortrijk

– De Koer in Gent

Huysmanhoeve

De oude pachthoeve werd in 1991 aangekocht door de provincie Oost-Vlaanderen en is sinds 2003 ingericht als een bezoekerscentrum. Het Plattelandscentrum Meetjesland neemt in opdracht van het provinciebestuur het beheer van de site waar sinds 2010. Het complex is een oude boerderij, oorspronkelijk het Groot Goed genaamd, maar door 260 jaar onafgebroken pachten door de familie Huysman, de naam Huysmanhoeve gekregen heeft.

Binnen dit grotere geheel en op de hoeve zelf neemt de vrijwilligerswerking een belangrijke plaats in. De boerderij is een beetje afgelegen, buiten de stad Eeklo, staat gedurende een half jaar per jaar open voor bezoek, met bijhorende programmatie. De rode draad doorheen de werking zijn de thema’s erfgoed, smaak, natuur en landbouw.

Enkele betaalde krachten zorgen voor de dagelijkse en inhoudelijke werking, waarbij een vaste groep van 40 vrijwilligers relatief goed omschreven takenpakketten uitvoeren: sommigen in de cafetaria, anderen buitenwerk en klusjes (onderhoud van de gebouwen, biologisch kruidenputten, moestuin en hoogstamboomgaard,…) bakoven, educatie,…  Initiatief van de vrijwilligers wordt echter gestimuleerd en het Plattelandscentrum moedigt kruisbestuiving aan tussen de verschillende takenpakketten.  Atelierwerking heeft een belangrijke taak in zowel het vergaren van kennis rond immaterieel erfgoed (wolverwerkende technieken, bakken in de bakoven, oogstverwerking,…) als in het procesgericht werken met mensen.

Een heel kenmerkende tegelwijsheid die door vrijwilligers van Huysmanhoeve werd voorgesteld luidt: ‘Het is hier wel de bedoeling dat je goeiedag zegt’.  Die wijsheid drukt de warmte en openheid van de plek en de werking uit: iedereen is welkom om mee te werken en de plek te verkennen. De cafetaria in de Huysmanhoeve is dan ook een centraal punt waar iedereen terecht kan en ontmoetingen in hun volle belang worden erkend en aangemoedigd.

Het zoeken naar contact en openheid naar de omgeving staat centraal in de mentaliteit van deze plek, deels omdat het een overheidssite betreft, dus ‘gemene’ grond is. Dat uit zich onder andere in diverse projecten, maar ook in een tweede tegelwijsheid, die als vanzelf ook door de andere twee commons werd ondergeschreven: ‘Onze plek is nooit af’. Er is steeds openheid en bereidheid om anders, verder en nieuw toe te laten. De dynamiek van het samen zoeken (en daartoe ook letterlijk verbouwen) werd duidelijk herkend door alle drie de commons. Ondertussen hebben zich gewoonten geïnstalleerd in de hoofden van sommige vrijwilligers van de Huysmanhoeve, waardoor verandering moeilijker wordt. Dat bleek zeer duidelijk wanneer enkelen onder hen op bezoek kwamen bij een van de andere verenigingen en het daar duidelijk moeilijk hadden met het ongestructureerde of lossere karakter van de werking (‘niet proper’, ‘geen structuur’). Waar bij de twee volgende plekken duidelijk zal worden dat die spanning tussen structuur en steeds opnieuw opbreken (en dus chaos) bij alle drie leeft, lijkt de Huysmanhoeve vooral te kunnen tonen hoe tijdelijke, maar goed gestructureerde werking toch ook rust en dus bescherming kan bieden voor de participanten aan het project. De tegel ‘Flirten met de chaos, trouwen met structuur’ wordt op die manier voor hen een wijsheid die gestoeld is op veel ervaring.

Bolwerk

Deze ‘common’ bestaat nu 15 jaar en is daardoor minder oud of doorgestructureerd dan de boerderij in Eeklo. Ook hier zien we een kleine groep betaalde personeelsleden die een vrij grote groep vrijwilligers gidsen.

Het oude industriële pand is gelegen aan de rand van de stad Kortrijk, te voet en per fiets bereikbaar. De terreinen van het pand zijn bijzonder overzichtelijk en duidelijk geordend, en activiteiten zijn divers: naast de publiekswerking (concerten, expo’s, feesten,…) is de atelierfunctie (creatieplek) heel belangrijk. Maar ook met biologisch stadstuinieren wordt geëxperimenteerd. Opvallend is dat de professionelen de lange termijn werking heel duidelijk in de hand lijken te hebben. Dat is deels noodzakelijk omdat deze industriële site voor de veiligheid van iedereen al een aantal duidelijke afspraken en regels vereist, maar de lange termijn visie is vooral noodzakelijk om een duurzaam verder bestaan van de common te garanderen. Initiatiefrecht bestaat echter, maar wordt langs de filter van de betaalde krachten gestuurd. In de gesprekken sijpelt wel door dat de raad van bestuur open en enthousiast staat tegenover het initiatief, en dat de betaalde krachten in een goede verstandhouding met het bestuur op vrij korte tijd nieuwe initiatieven kunnen opstarten. Het daadwerkelijk samen werken aan taken waar handenarbeid centraal is, wordt door alle betrokkenen hoog gewaardeerd: dit wordt heel duidelijk verwoord in een vierde algemeen gedeelde tegelwijsheid ‘Verantwoordelijkheid nemen om ze dan  gedeeld te krijgen’.

De plek op zichzelf is belangrijk: verschillende vrijwilligers voeren taken uit en halen zichtbaar genoegen uit hun rol en inbreng. De professionelen stellen zich niet boven de vrijwilligers, maar stralen tegelijk toch een zekere autoriteit uit die door de eersten gerespecteerd wordt. De hechtheid tussen vrijwilligers en professionelen op deze plek en op beide andere plaatsen vinden we hier goed gevat in de sterk inclusieve uitspraak: ‘Wij zorgen voor elkaar’.  Dat is een opstelling ten opzichte van medemensen  die niet enkel gedeeld wordt door deze drie initiatieven, maar uiteraard nogal scherp contrasteert met het steeds scherpere en vaak uit-sluitende principe van competitie of ‘een tegen allen’ in de dominante samenlevingsethiek.

Men voelt dat bij Bolwerk een bijna-stadsinitiatief bestaat: door de afstand tegenover het centrum zijn toevallige passanten geen evidentie. Met andere woorden, de plek dwingt de bewoners om extra inspanningen te doen om zich aan de omgeving te tonen, en als aantrekkelijke site te laten kennen. Dat is enigszins vergelijkbaar met de Huysmanhoeve, en wordt veel minder teruggevonden in de Koer dat echt midden in een oude stadswijk van Gent ligt. Door de activiteiten waarvoor bij Bolwerk gekozen wordt (o.a. reuzen maken, sociaal eetcafé, stadstuinieren, concertwerking) is de drempel tegelijk toch laag. Doorheen de werking is er veel aandacht voor het creëren van een leeromgeving voor jongeren waarbij de beroepskrachten hun kennis en métier delen. Een belangrijk punt, waaraan heel bewust gewerkt wordt, is te zorgen dat de werking voor de buitenwereld helder is. Dit is echter niet evident door de diversiteit van de activiteiten en het atypische karakter van de werking. Door de nadruk op het belang van ‘doeners’ voor de samenleving ademt het initiatief ook een positieve geest uit. Een tegelwijsheid die door alle drie gedeeld wordt, komt hier dan zeer concreet en visueel naar voren: ‘Beter goed gedaan dan goed gezegd’. Negatief: als we ons niet manifesteren door te doen, dan worden we niet opgemerkt en ‘bestaan’ dan als het ware niet. Opnieuw is ook hier een bar een bijzonder belangrijk trefpunt tussen alle medewerkers en verlaagt ook de drempel naar passanten uit het nabijgelegen Kortrijk en andere gemeentes in de regio.

Bolwerk komt over als een veilige plek, goed gestructureerd. Verandering door innovatieve ideeën zijn niet uitgesloten, maar worden  via de openheid en kunde van de professionele krachten bemiddeld. Over de inbedding in de Kortrijkse context heerst wat onzekerheid: Bolwerk lijkt, zoals Huysmanhoeve, nagenoeg volledig Vlaams (blank), wat in de Kortrijkse stadsomgeving enigszins bevreemdt. Het bereiken van de talrijke “allochtone” groepen in en rond Kortrijk lijkt voorlopig geen prioriteit.

De Koer

Dit is het jongste van de drie initiatieven en bovendien het enige dat volledig gesitueerd is in een stadscontext. De Koer betrekt gebouwen van een oud volkshuis, volledig gelegen in een negentiende eeuwse volkse wijk  van Gent. De werking bestaat drie jaar, stevig gesteund door de stedelijke overheid. Het grote pand komt nogal anarchistisch over: de professionelen streven naar maximale leniging van noden uit de buurt. Daartoe worden in semi-autonoom verband initiatieven zoals een cinema, een biologische tuin, muziekprogrammaties, een sociaal restaurant (bar) en een maakatelier gaande gehouden. Vrijwilligers zijn deels regelmatig, deels eerder occasioneel betrokken. Door de ligging en door de opvallende laagdrempeligheid die De Koer uitstraalt, is er veel bezoek van buurtbewoners. Dat maakt dat De Koer dus duidelijk erkend en zelfs toegeëigend wordt door de kansarme buurt waarin het gelegen is en die in volle transitie-gentrificatie is, wat zeker door het stadsbestuur als een positief punt wordt aangemerkt.

Doordat het pand groot is en doordat de noden in de omgeving immens zijn, is dit nog zeer jonge initiatief als het ware in een voortdurende staat van verandering. De professionelen willen de drempel laag houden, maar dat leidt voorlopig vooral tot middelpuntvliedende krachten die een soort voortdurende toestand van chaos laten zien. In dat perspectief is een andere gedeelde tegelwijsheid hier heel prominent als doel of ideaal te beleven: ‘Wat wij doen en hoe wij het doen is gedeeld goed’. Meer dan in de andere twee commons toont de Koer hoe dit een gedeelde waarde is, maar ook hoe de plek de concrete realisering van die waarde sterk beïnvloedt. In het geval van De Koer is de waarde duidelijk, maar wordt het landen bij een min of meer duurzame structuur voorlopig telkens weer een uitdaging.

In dat opzicht geeft De Koer qua sfeer (waarin mensen worden ontvangen en komen werken) vanuit deze en vorige gedeelde waarden de indruk soms het omgekeerde van de Huysmanhoeve te zijn. Gedragen afspraken, structuur en verantwoordelijkheid lijken nog volop in een testfase te zitten, terwijl aan de andere kant ruimte lijkt te bestaan voor elk initiatief, ook van mensen die op minder duidelijke manier verbonden blijken met de werking van het geheel. De differentiatie van activiteiten is bewonderenswaardig en perfect legitiem in de stadscontext, maar is zeer groot om een minimaal gevoel van continuïteit of orde te garanderen. Tegelijk en misschien wel daardoor kan men hier het krachtigst de enorme gedrevenheid voelen die deze drie initiatieven delen met elkaar: de nadruk op het zoeken (en dus openheid voor nieuwe inzichten, werkvormen, enzovoort), en niet op het gevonden hebben (en daardoor sluiten voor nieuwe uitdagingen). Dat komt het best tot uiting in de laatste gedeelde tegelwijsheid: ‘Wij zijn zoekend overtuigd’. Natuurlijk zijn er geen gebaande wegen of eeuwig veilige oplossingen en dus zal men moeten durven blijven zoeken. Als stelregel voor het organiseren van het samen-leven is dit, dat is vanzelfsprekend, een fel onderschatte wijsheid.

2. Wat leren ze van elkaar en hoe kunnen ze samen versterken?

De drie initiatieven besloten om drie keer een tweedaagse in te richten, om elkaar beter te leren kennen, en zo te zoeken naar mogelijke punten van wederzijdse versterking.  Dat gebeurde onder begeleiding van Bart  Noels, vormingswerker uit het Kortrijkse. De kenmerken van de plek(ken) en van de wijze van werken staan centraal. Het is zo dat men vanuit elk van de drie initiatieven ‘naar de buren wil gluren’. Het zoeken naar gemeenschappelijke waarden en begrippen werd vertaald in de zogenaamde ‘tegelwijsheden’: korte statements die uitdrukken wat door de hele groep van één plek gedeeld wordt. Door op het einde van de drie tweedaagsen te zoeken naar gemeenschappelijk gedeelde waarden, uitgaande van de tegelspreuken, werden de hoger vermelde acht tegels geselecteerd.  Het hele experiment kwam zo op een heel snelle wijze tot een stevig platform van gedeelde wijsheden (hoog ingeschatte waarden).

Door telkens op een verschillende plaats samen te komen om daar samen een werk uit te voeren, kwamen de drie werkplekken aan bod. De ervaring van de sfeer en de mogelijkheden en beperkingen van elk van de plaatsen was zeker een zinvolle bijdrage tot beter begrip en mutueel meedenken. Wat mij opviel was dat in elk van de drie gevallen de zorg voor de vrijwilligers en hun leefomgeving hoog op de agenda staan. Hoe verschillend de plekken ook zijn, en dus ook de mensen die er komen werken, de warme ontvangst en begeleiding van de plaatselijke vrijwilligers leek voor elk initiatief steeds een eerste zorg. Dat is een ongemeen sterk punt voor de drie initiatieven: in een maatschappij die steeds harder en competitiever wordt en daarbij regulier betaalde arbeid steeds verder onder druk zet, is een warm nest waar mensen zinvol kunnen bezig zijn terwijl ze ook sociaal en psychisch welbevinden kunnen blijven invullen, is het blijven centraal stellen van medemenselijkheid een bijzondere waarde. Op drie verschillende manieren doen de drie initiatieven dat, zoals blijkt uit de reacties van de vrijwilligers en professionelen. Het kan niet genoeg benadrukt worden dat ze daarom alleen al als experimentele initiatieven gezien kunnen worden, kraamkamers voor anders zinvol omgaan met werk.

Het spreekt voor zich dat Gluren bij de buren elke groep op zichzelf zal versterkt hebben: sommige concrete ideeën (vb. de organisatie van een cafetaria) scoorden bijzonder hoog, terwijl het besef dat zoekstrategieën en relatieve successen of mislukkingen herkend worden bij elkaar al even sterk bijdraagt tot leren van elkaar. Het sterkst van de hele ervaring, lijkt me, is toch dat zo snel en zo ingrijpend niet minder dan acht tegelwijsheden resulteerden, die door alle drie de initiatieven als wezenlijk onderschreven werden. Gluren bij de buren wordt zo een methodiek om de eigen werking en inzet te versterken.  Het is nu zaak om deze ervaring verder uit te dragen en zo het nog prille veld van commons en alternatieve werkvormen bruikbare en sterke adviezen mee te geven.